Het doel van de EPBD is sturen op betere keuzes nu, stelt Jan Willem van de Groep in deze aflevering van Zichtlijnen. Een goede bepalingsmethode doet meer dan alleen rekenen. Zij maakt het mogelijk een heldere stip op de horizon te zetten. Wie dat uit het oog verliest komt onherroepelijk in een meervoudige knoop.
Met de herziene EPBD heeft Europa een duidelijke keuze gemaakt. De klimaatimpact van gebouwen wordt niet langer beperkt tot energiegebruik in de gebruiksfase, maar beoordeelt over de hele levenscyclus. De introductie van WLC-GWP is daarmee geen technocratische exercitie, maar een sturingsinstrument. Precies daar ontstaat nu verwarring. Over module D. Over modulaire sturing. Over biogene koolstofopslag. En inmiddels ook over de vraag of het instrument “te streng” zou zijn voor de bouwsector.
Die verwarring staat effectieve beleidswerking in de weg.
Het doel van de EPBD is helder. Het terugdringen van cumulatieve broeikasgasemissies richting 2050 door betere ontwerpkeuzes vandaag. WLC-GWP is daarbij geen klimaatrekening en ook geen emissieregister, maar een ex ante ontwerpinstrument. Het moet ontwerpers, ontwikkelaars en opdrachtgevers helpen om betere materiaal- en systeemkeuzes te maken. Wie dat uitgangspunt uit het oog verliest, gaat WLC verkeerd gebruiken en komt onvermijdelijk in de knoop met de systematiek.
De eerste knoop: module D en de verleiding van de totaalscore
De eerste knoop zit bij module D. In de normatieve systematiek staat module D buiten de levenscyclus. Het gaat om potentiële effecten na het einde van de levensduur, afhankelijk van aannames over hergebruik, recycling en energieterugwinning. Die effecten zijn onzeker en contextafhankelijk. Juist daarom zijn ze als aanvullende informatie gepositioneerd en niet als onderdeel van de kernscore.
Toch duikt steeds weer de neiging op om module D te verrekenen in één totaalscore. Dat lijkt aantrekkelijk, omdat het uitkomsten mooier kan maken, maar het ondergraaft precies wat WLC moet doen. Het vermengt zekere emissies binnen de levenscyclus met speculatieve effecten daarbuiten. Daarmee verdwijnt transparantie en wordt sturing ingeruild voor boekhoudkundige optimalisatie.
Een uitgebreide juridische en methodische onderbouwing laat zien dat de EPBD, EN15978 en het Level(s)-raamwerk onderling consistent zijn in het positioneren van module D buiten de levenscyclus en daarmee buiten een samengestelde éénpuntsscore. Deze analyse is via deze link in te zien.
De tweede knoop: modulaire sturing is geen tussenstap
De tweede knoop betreft modulaire sturing. De EPBD en het Europese beleidskader kiezen expliciet voor rapportage per levenscyclusfase. Dat is geen tijdelijke oplossing, maar een bewuste ontwerpkeuze. De productfase, de gebruiksfase en de end-of-life-fase kennen andere knoppen en andere beleidsinstrumenten.
Door die fases zichtbaar te houden, kan beleid gericht aangescherpt waar dat zinvol is. In de praktijk zien we echter dat modulaire rapportage soms wordt gelezen als een zwakte, alsof pas een allesomvattende totaalscore volwassen beleid zou zijn. Dat is een misvatting. Juist modulaire sturing voorkomt dat winst in de ene fase structurele schade in een andere fase maskeert. Het maakt gefaseerde normering mogelijk zonder het einddoel uit het oog te verliezen.
De derde knoop: biogene opslag en het verkeerde tijdsperspectief
De derde en meest gevoelige knoop betreft biogene koolstofopslag. Hier lopen twee boekhoudingen door elkaar. In productnormen wordt biogene koolstof zichtbaar in de productfase en komt de vrijgave pas later in beeld. Dat leidt tot de reflex dat biogene opslag slechts tijdelijk is en daarom beleidsmatig niet zou mogen meetellen.
Die redenering gaat voorbij aan twee cruciale feiten. Ten eerste staan woningen geen dertig of zestig jaar. In de praktijk gaan ze richting een eeuw of langer mee. Daarmee valt biogene opslag volledig binnen de kritieke periode tot 2050 waarin cumulatieve emissies doorslaggevend zijn. Ten tweede impliceert het Europese doel van netto nul in 2050 dat ongecompenseerde emissies aan het einde van de levensduur niet langer acceptabel zijn. De veronderstelling dat biogene koolstof vanzelf weer in de atmosfeer belandt, past niet bij het eigen beleidsdoel.
Belangrijker nog is dat hier opnieuw twee logica’s worden vermengd. WLC-GWP is geen emissieverantwoording. Het kent geen rechten, geen claims en geen allocatie. Het stuurt, maar rekent niet af. Er kan dus per definitie geen sprake zijn van dubbele telling. De functie van WLC is om vandaag betere materiaalkeuzes af te dwingen. Biogene opslag zichtbaar maken in die context is geen claim op klimaatdoelen, maar een manier om fossiele emissies nu te vermijden en cumulatieve uitstoot te verlagen. Dat effect is reëel en relevant voor het halen van de doelen van de EPBD.
De vierde knoop: normeren wordt verward met normaliseren
Daar komt een vierde knoop bij, die steeds vaker opduikt in gesprekken met beleidsmakers en marktpartijen. Het idee dat het meenemen van biogene opslag “morgen al” tot problemen zou leiden, omdat niemand de norm dan nog kan halen. Dat idee berust op een fundamenteel misverstand.
Wat hier door elkaar wordt gehaald, is normeren en normaliseren.
Normaliseren is het zorgvuldig vormgeven van een bepalingsmethode. Een methode die klopt, die toekomstvast is en die het mogelijk maakt om vandaag én later te sturen op het beoogde doel. In dit geval het structureel verlagen van de CO₂-footprint van gebouwen. Het meenemen van biogene opslag in de bepalingsmethode betekent niet dat vanaf dag één wordt genormeerd op het maximale gebruik van hout of andere biogrondstoffen. Het betekent dat de methode die mogelijkheid openhoudt voor de toekomst.
Normeren is iets anders. Dat is de beleidskeuze van de overheid om een bepaalde grenswaarde vast te stellen, op een bepaald moment, met een bepaald tempo. Die norm kan bewust onder de theoretische mogelijkheden van de bepalingsmethode liggen. Precies daar zit de beleidsruimte.
Het gebruik is veel breder dan ‘de norm’
Wat vaak wordt vergeten, is dat de wettelijke bepalingsmethode niet alleen wordt gebruikt door de overheid. Ook private partijen gebruiken diezelfde methodiek om verder te gaan dan de wettelijke ondergrens. Ontwikkelaars, beleggers en opdrachtgevers die de lat hoger willen leggen, hebben daar nu al behoefte aan. Als de bepalingsmethode die ruimte niet biedt, wordt die ambitie onmogelijk gemaakt, los van de norm die de overheid hanteert in het Bbl.
Een goede bepalingsmethode doet meer dan alleen rekenen. Zij maakt het mogelijk een heldere stip op de horizon te zetten, gekoppeld aan de nationale emissiedoelen, en maakt zichtbaar waar het beleid op termijn naartoe beweegt en welke keuzes structureel worden beloond. Investeringen in fabrieken, productielijnen, opleidingen en ketens worden niet gebaseerd op een ineffectieve norm, maar op het vertrouwen dat de gekozen systematiek consistent en toekomstbestendig is. Wanneer de bepalingsmethode relevante effecten zichtbaar maakt, kunnen marktpartijen anticiperen op toekomstige aanscherping, ook als de wettelijke norm op korte termijn nog beperkt blijft. Houdt de methode die effecten buiten beeld, dan ontbreekt dat investeringssignaal en blijft onduidelijk welke keuzes op termijn daadwerkelijk worden gewaardeerd.
Het argument dat “de sector het niet aankan” richt zich dus op de verkeerde knop. Niet de methode is het probleem, maar de norm kan die worden. En die twee hoeven niet samen te vallen.
WLC als sturingsinstrument, niet als afrekenmechanisme
De verwarring ontstaat wanneer WLC wordt behandeld alsof het onderdeel is van de formele EU-klimaatboekhouding. Dat is het niet. Die boekhouding volgt later, ex post, via andere instrumenten. Wie die twee door elkaar haalt, verlamt het ontwerpinstrument uit angst voor fictieve risico’s.
De juiste keuzes voor WLC-GWP liggen daarom voor de hand. Houd module D buiten de kernscore en gebruik haar uitsluitend als aanvullende informatie. Kies expliciet voor modulaire sturing en benut die modulariteit om gefaseerd te normeren waar de meeste impact zit. Neem biogene opslag op in de bepalingsmethode, zonder haar meteen normerend te maken, zodat zowel publieke als private partijen toekomstgericht kunnen sturen.
WLC-GWP hoeft niet alles vast te leggen. Het moet richting geven. Als we het instrument blijven belasten met boekhoudkundige angsten en verwarring tussen methode en norm, ondergraven we het doel van de EPBD. Zetten we het in waarvoor het bedoeld is, dan krijgt het precies de impact die Europa nodig heeft. Betere gebouwen, betere materiaalkeuzes en minder uitstoot op het moment dat het er echt toe doet.
Dit artikel is geschreven door Jan Willem van de Groep, programmamaker, toekomstdenker en publicist. Hij is onder meer bekend van het overheidsprogramma Building Balance. In zijn rubriek Zichtlijnen geeft hij zijn visie op de grote lijnen in de bouw.