In gesprekken over circulair bouwen gaat het vaak over de bovenkant van het project: biobased materialen, demontabele constructies, hergebruikte gevelelementen. De onderkant blijft onderbelicht, terwijl daar per project vaak de grootste massa in beweging komt. Bij het uitgraven van een bouwput of het afgraven van een terrein komt meer grond vrij dan er ooit teruggaat, en wat daarmee gebeurt, bepaalt een flink deel van de transportbewegingen en de kosten van de voorbereidende fase.
Hergebruik op locatie is de kortste route
De meest directe winst zit in grond die het terrein niet verlaat. Teelaarde die apart wordt gezet en later teruggebracht in de groenvoorziening, zand dat opnieuw dienstdoet als aanvulling langs de fundering, of ontgraven grond die wordt gebruikt om een ander deel van het terrein op te hogen. Elke kubieke meter die op locatie blijft, is een vrachtwagenrit minder in twee richtingen, want afvoeren betekent doorgaans ook aanvoeren van nieuw materiaal.
Dat vraagt wel dat de grondstromen aan het begin van het project worden uitgedacht en niet tijdens de uitvoering. Wie pas gaat nadenken over hergebruik als de kraan al draait, heeft meestal geen ruimte meer om grond gescheiden op te slaan, en dan gaat alles in één keer weg. Ruimte voor tijdelijke depots is op binnenstedelijke locaties het knelpunt, en daar is de afweging tussen hergebruik en logistiek dus scherper dan op een ruim buitengebiedperceel.
Regelgeving bepaalt de bewegingsruimte
Grond die van een locatie afgaat of ergens wordt toegepast, valt onder het Besluit bodemkwaliteit. In veel gevallen is er een melding vereist via het Landelijk Meldpunt Bodemkwaliteit en soms is er vooraf onderzoek nodig om vast te stellen of de kwaliteit van de grond past bij de beoogde toepassing. Dat systeem is er niet om hergebruik te bemoeilijken, maar het maakt wel dat improviseren op de bouwplaats risicovol is.
Daarbij komt dat gemeenten en waterschappen regionaal beleid hebben vastgelegd in een nota bodembeheer, waarin staat welke toepassingen waar zijn toegestaan. In Oost-Nederland hebben verschillende gemeenten dat gezamenlijk opgepakt. Voor een aannemer betekent het dat de vraag “kan deze grond hier blijven” niet landelijk uniform te beantwoorden is, en dat lokale kennis van de regels tijdwinst oplevert.
Wat vaak wordt onderschat, is de rol van de partij die het grondwerk uitvoert. Grondverzetbedrijven met een eigen terrein kunnen schone grond innemen en bufferen, waardoor er speelruimte ontstaat tussen het moment dat grond vrijkomt en het moment dat er elders vraag naar is. Bedrijven als De Poorte Joppe combineren grondverzet met eigen transport en afvalinname, en die combinatie is precies wat hergebruik praktisch haalbaar maakt.
Granulaat als tweede stroom
Naast grond komt bij sloop en herinrichting steenachtig materiaal vrij. Beton en menggranulaat worden al decennia hergebruikt als funderingsmateriaal onder wegen en bestrating, en dat is een van de weinige circulaire toepassingen in de bouw die zichzelf zonder subsidie bewijst. De aandachtspunten liggen in de kwaliteitsverklaring van het materiaal en in de verdichting: een fundering van granulaat vraagt een andere aanpak dan een zandbed, en onvoldoende verdichten leidt na een paar jaar tot verzakking.
Dat is een terugkerend patroon in dit deel van het werk. Fouten in de voorbereiding van de ondergrond zijn goedkoop om te maken en duur om te herstellen, omdat herstel betekent dat alles wat erboven ligt er weer af moet. Bij verharding die dagelijks zwaar wordt belast, is de opbouw eronder daarom minstens zo bepalend voor de levensduur als de gekozen steen.
Waar de winst realistisch te halen valt
Grondverzet zal nooit het onderdeel zijn waarmee een project zich profileert op duurzaamheid. Maar het is wel een onderdeel waar de rekensom eenvoudig is: minder transport, minder aanvoer van primair materiaal, minder stort. Dat zijn kosten en emissies die direct meetbaar zijn, zonder dat er nieuwe technologie of een pilotstatus voor nodig is.
De praktische conclusie is dat de grondbalans thuishoort in de voorbereidingsfase, naast het materialenpaspoort en de energieprestatie. Niet als apart duurzaamheidsdoel, maar als onderdeel van de projectplanning, met de uitvoerende partij vroeg genoeg aan tafel om er nog iets aan te kunnen veranderen.
pixabay