De materiaalimpact van een woonwijk gaat veel verder dan de huizen die worden gebouwd. Infrastructuur is wat dit betreft een onderschatte factor, stelt Ronald Rovers. Daarom moeten we vooral gaan verdichten, maar ook daar redden we het niet mee.
De weg, daar moeten we het even over hebben. Recent verschenen een aantal uitstekende onderzoeken naar stedelijke duurzaamheid, die kabinet Jetten nog niet gelezen heeft. Daaruit blijkt dat het nogal uitmaakt hoe je een wijk ontwerpt met betrekking tot infrastructuur. Nogal logisch natuurlijk, een villawijk heeft meer wegen en infra nodig dan een compacte uitbreidingswijk.
Maar het is niet alleen de weg’lengte’. Zelf heb ik eens grofweg gerekend aan de infrastructuur voor een lage nieuwbouwwijk. Ik kwam er toen op uit dat het materiaalgebruik voor een woning per m2 vergelijkbaar is met dat voor een weg per m2 (in volume en embodied energie). Bovendien was er ongeveer 1 m2 weg per m2 woning nodig. Waar een woning is, is een weg, en dus een verdubbeling van de impact!
De weg is daarmee een erg belangrijk onderdeel van het plan, ook nog eens in verband met de rest van de infrastructuur, zoals hoeveelheid pijpen riolering, mobiliteit. Daarover geven de rapporten interessante inzichten.
Dit toont aan dat het nog belangrijker is, los van de woning of wegmateriaal, om alles een schaalniveau hoger te beschouwen: het gaat erom waar en hoe te bouwen!
Op de eerste plaats moeten we verdichten op bestaande locaties, De bebouwingsdichtheid in Nederland is ontzettend laag, In het geval van Eindhoven kun je bijvoorbeeld feitelijk niet eens van een stad spreken, met 2800 woningen per km2. Een beetje stad heeft het dubbele, al geldt dat in Nederland alleen voor Den Haag. Parijs heeft zelfs acht keer zoveel woningen. Niet dat we torens moeten bouwen, integendeel, Vier à vijf lagen is een materiaal- en dichtheidsoptimum. Bij brand en stroomuitval kun je dan ook nog redelijk uit de voeten.
Toch redden we het mogelijk niet alleen met verdichten. En dan nu niet gaan denken aan geheel nieuwe steden of aan wijken a la vinex, of de tien grootschalige locaties van Jetten. Dat zou schandelijk zijn, wetende wat dat aan materiaal en energie gaat kosten in een tijd dat we ons weinig meer kunnen permitteren. Het CO2-budget voor bouwen is (nagenoeg) op.
Nee, denk eens praktisch, aan plekken waar al wegen liggen! Er ligt nog ontzettend veel weg ongebruikt in het landschap: binnenwegen, provinciale wegen, verbindingswegen. Daarlangs bouwen scheelt enorm veel impact van infrastructuur, en je vermijdt tijdverlies door wegenplanning. Nog een voordeel is dat vervuiling door elektrisch vervoer afneemt, en dat bovendien op die wegen al OV aanwezig is, via veelal buurtbussen die dorpen en wijken verbinden.
Maar daarlangs dan geen eengezinswoningen gaan bouwen, maar appartementen van maximaal drie hoog. Dan heb je de sociale activiteiten en de levendigheid aan de voorkant, en groen, natuur en open zicht aan de achterkant!
Waar een weg is, is een bouwlocatie, zogezegd. Het is even wennen, maar ik wist het al die tijd al: de Belgen hadden het altijd al bij het rechte eind…
Ronald Rovers
Ronald Rovers is ex-professor, fysisch fundamentalist en toekomstdenker. Hij is op een zoektocht naar de ultieme volhoudbare fysische balans op aarde, zonder fossiel uiteraard. Productief Land blijkt ziet hij daarbij als ons echte kapitaal, voor voedsel, energie, water en materiaal. Dat vergt dat wij ‘vegetarisch’ leven, en dus ook vegetarisch bouwen. In dat licht verkent hij hier de toekomst van de bouw.