Juist nu de noodzaak tot actie zichtbaar wordt, overweegt Europa de economische prikkel voor het verlagen van de CO₂-uitstoot af te zwakken, en dat voelt voor Jan Willem van de Groep als heel onverstandig. “Wie wacht krijgt uitstel, de koplopers betalen de prijs.”
Europa wil de industrie meer tijd geven om te verduurzamen. De Europese Commissie overweegt het emissiehandelssysteem (ETS) aan te passen, zodat de hoeveelheid beschikbare emissierechten na 2030 minder snel daalt en bedrijven mogelijk langer gratis rechten behouden. De redenering klinkt vertrouwd: hoge energieprijzen, internationale concurrentie en de tijd die nodig is voor nieuwe technologieën. Allemaal waar. Maar er is een levensgroot verschil tussen tijd geven aan de transitie en tijd kopen voor het bestaande systeem.
Het ETS is in de kern eenvoudig: wie uitstoot, betaalt. Door het aantal emissierechten jaarlijks te verlagen, stijgt de prijs van vervuiling en ontstaat een prikkel om te investeren in schonere productie. In theorie althans. In de praktijk ontvangt een groot deel van de industrie nog steeds gratis rechten. Nu de kosten van uitstoot verder zouden moeten oplopen, groeit de politieke druk om die afbouw af te remmen. Dat is maatschappelijk steeds moeilijker uit te leggen. Klimaatverandering is geen abstract toekomstbeeld meer; de gevolgen, van hitte tot wateroverlast, zijn inmiddels onderdeel van onze dagelijkse realiteit. Juist nu de noodzaak tot actie zichtbaar wordt, overweegt Europa de economische prikkel af te zwakken. Dat voelt niet als verstandig faseren, maar als terugdeinzen zodra de transitie economisch echt begint te knellen.
Natuurlijk is temporisering soms nodig. Een fabriek kan niet elektrificeren als het stroomnet vol zit, of waterstof gebruiken als de leidingen ontbreken. Maar gratis emissieruimte zonder harde investeringsvoorwaarden is geen industriepolitiek; het is uitstelpolitiek. Bovendien raakt zo’n versoepeling niet alleen de achterblijvers, maar ook de koplopers die al wél investeren in CO₂-arme productie.
De businesscase voor CO₂-arm beton, schonere isolatiematerialen of industriële houtbouw steunt mede op het financiële voordeel van vermeden uitstoot. Wie de afbouw van emissierechten vertraagt, verlaagt niet alleen de rekening voor de vervuiler, maar ook het verwachte rendement van de koploper. Een betonproducent die miljoenen investeert in een CO₂-arm proces, doet dat immers in de verwachting dat conventioneel cement duurder wordt. Wanneer Europa de prijsprikkel afzwakt, verandert die rekensom: de oude installatie krijgt lucht, terwijl de nieuwe haar voorsprong verliest. Dit creëert een schadelijk patroon: wie vroeg beweegt, loopt risico; wie lang genoeg wacht, krijgt uitstel.
Tegelijkertijd werkt Europa aan certificering voor koolstofopslag en negatieve emissies. Dat is waardevol, maar een certificaat creëert nog geen markt. Zolang de waarde van vermeden uitstoot wordt afgezwakt en opgeslagen CO₂ nog geen volwaardige economische waarde krijgt, blijft de verhouding scheef. Met de ene hand bouwen we aan een systeem voor negatieve emissies; met de andere hand beschermen we de fossiele status quo.
Industriepolitiek moet niet draaien om de vraag hoeveel bescherming bestaande fabrieken nodig hebben, maar om de vraag welke productieketens Europa in 2040 nodig heeft. Dat vraagt om twee samenhangende bewegingen. Geef bedrijven alleen extra tijd wanneer technologie of infrastructuur aantoonbaar ontbreekt, gekoppeld aan bindende investeringen en een harde einddatum. Zorg tegelijkertijd dat de waarde van vermeden uitstoot en verwijderde koolstof structureel en betrouwbaar in de markt terechtkomt, via het ETS of een afzonderlijk beloningsmechanisme.
Zonder deze koppeling blijft de boodschap aan investeerders dubbelzinnig. De industrie heeft tijd nodig, maar tijd is alleen transitiebeleid als duidelijk is waarheen zij leidt. Anders betaalt de vervuiler nog steeds niet en betaalt de koploper de prijs voor zijn voorsprong.