De bouwsector moet iets minder vaak vertellen wat gemeenten fout doen, en veel beter laten zien hoe het volgens haar wél kan. Daar hebben gemeenten meer aan dan aan de zoveelste oproep om minder regels.
Maandagochtend zag ik Arno Visser bij WNL opnieuw betogen dat woningbouw vertraagt doordat gemeenten allerlei eigen en soms tegenstrijdige eisen aan ontwikkelaars opleggen. Ik snap het punt, maar waar hebben we het precies over? Gaat het om parkeernormen, beeldkwaliteit, duurzaamheid, klimaatadaptatie, planregels of technische bouweisen? Dat wordt nogal makkelijk op één hoop gegooid, terwijl het voor de oplossing veel uitmaakt.
Voor technische bouweisen bestaat de standaardisatie namelijk allang. Die zijn landelijk geregeld. Als gemeenten daar lokaal toch een schep bovenop doen, hebben we dus niet zozeer een probleem van ontbrekende uniformiteit, maar van het niet goed toepassen van bestaande regels.
Daarbuiten wordt het ingewikkelder. Het idee dat Den Haag kan voorkomen dat gemeenten eigen keuzes maken over wijken en gebouwen lijkt mij niet realistisch. Voor programmering en betaalbaarheid bestaan inmiddels stevige landelijke en regionale kaders, maar de concrete inpassing blijft lokaal. Bodem, mobiliteit, water, landschap en bestaande bebouwing verschillen nu eenmaal per plek. Ook kwaliteit en ambitie hoeven daarbij niet allemaal vooraf als harde eis te worden dichtgeregeld. Bij gronduitgifte kun je ruimte laten voor verschillende door de markt aangedragen oplossingen en vervolgens op vooraf bekende criteria de beste aanbieding kiezen.
Volgens mij zit daar dan ook het echte probleem. Lokale wensen worden telkens opnieuw vertaald in een eigen manier van uitvragen, beoordelen, contracteren en ontwikkelen, met eigen beoordelingsmethoden, planregels en processtappen. Dáár wordt het voor de bouw ingewikkeld, zeker als we tegelijkertijd meer industrieel willen bouwen.
Een fabriek wordt niet efficiënter wanneer in iedere gemeente de beukmaat net anders moet zijn, de goot- en nokhoogtes strikt en anders zijn of het dak een andere vorm moet krijgen door net anders geformuleerde randvoorwaarden. Dan is een industrieel concept op enig moment geen concept meer, maar gewoon weer een traditioneel project dat toevallig in een fabriek wordt gemaakt.
De vraag is dan waarom de bouwsector blijft wachten tot de overheid dit oplost. Bouwend Nederland, NEPROM, WoningBouwersNL en aanbieders weten heel goed waar projecten vastlopen en welke randvoorwaarden wel of niet passen binnen bestaande woningconcepten. Schrijf dat eens op. Niet in de zoveelste lobbybrief over wat de overheid niet meer zou moeten doen, maar in praktische handreikingen waarmee gemeenten woningbouw slimmer kunnen organiseren.
Wie serieus wil industrialiseren, moet ook accepteren dat niet iedere locatie aanleiding hoeft te zijn om opnieuw het uniekste woningbouwproject van Nederland te ontwerpenJan Willem van de Groep
Begin bij gronduitgifte. Hoe daag je marktpartijen uit op prestaties zonder de oplossing vooraf dicht te timmeren? Welke zaken leg je vast en waar laat je ruimte? Welke standaardteksten werken goed binnen de Omgevingswet? Hoe selecteer je op kwaliteit, snelheid, betaalbaarheid en duurzaamheid zonder meerdere partijen eerst voor veel geld een compleet plan te laten uitwerken? Hoe borg je stedenbouwkundige kwaliteit zonder industriële woningbouw onnodig te hinderen? Wanneer betrek je de markt, wanneer werkt een planselectie goed en wanneer een partnerselectie?
Er ligt al een basis. De Reiswijzer Gebiedsontwikkeling behandelt veel van dit soort vragen, al legt die naar mijn smaak wel erg veel nadruk op partnerselectie. Dat kan prima werken, maar is zeker geen oplossing voor iedere gebiedsontwikkeling. Interessanter lijkt mij om de Reiswijzer als vertrekpunt te gebruiken en daar veel meer praktische handreikingen omheen te bouwen.
Bij woningcorporaties hebben we met De Woonstandaard al gezien dat zoiets kan. Daar wordt de vraag zo geformuleerd dat aanbieders hun concepten erop kunnen ontwikkelen zonder dat iedere opdrachtgever opnieuw het product gaat ontwerpen. Dat principe kun je ook breder toepassen op gemeentelijke woningbouwontwikkeling.
Maak goede modellen voor gronduitgifte en selectie, ontwikkel voorbeeldteksten voor planregels, geef aan welke planologische bandbreedtes woningconcepten nodig hebben en verzamel vooral de vele praktijklessen die ontwikkelaars, bouwers en gemeenten allemaal kennen, maar die nergens bij elkaar staan. En train vervolgens ook de gemeenten, ontwerpers en eigen leden om ermee te werken. Want wie serieus wil industrialiseren, moet ook accepteren dat niet iedere locatie aanleiding hoeft te zijn om opnieuw het uniekste woningbouwproject van Nederland te ontwerpen.
Ik geloof inmiddels niet meer zo in die ene landelijke standaard die dit allemaal van bovenaf oplost. Als brancheorganisaties en gemeenten samen aanpakken en werkwijzen ontwikkelen die aantoonbaar werken, krijgen die vanzelf status. Vooral kleinere en middelgrote gemeenten zoeken hulp om hun ambities te realiseren zonder het proces onnodig ingewikkeld te maken.
Het Rijk heeft ondertussen genoeg te doen aan zaken die wél nationaal geregeld moeten worden: heldere technische bouwregels, snellere procedures en zoveel mogelijk duidelijkheid over wat landelijk uniform is geregeld en waar lokale afwegingsruimte begint.
De bouwsector moet iets minder vaak vertellen wat gemeenten fout doen en veel beter laten zien hoe het volgens haar wél kan. Daar hebben gemeenten volgens mij meer aan dan aan de zoveelste oproep om minder regels.