De bouwmaterialenlobby bepaalt graag zelf hoe je CO₂ moet meetellen, een onverstandige strategie

Auteur zonder afbeelding icoon
Jan Willem van de Groep
20 oktober 2026
4 min

De gevestigde Nederlandse bouwmaterialenindustrie lijkt meer energie te steken in het beschermen van haar bestaande, CO₂-intensieve producten en productieprocessen dan in het vernieuwen ervan, signaleert opiniemaker Jan Willem van de Groep. Volgens hem is dat een onverstandige strategie. Hij verwijst naar de Europese auto-industrie, die lang heeft geprobeerd de verbrandingsmotor te beschermen. Inmiddels zetten Chinese fabrikanten, die veel eerder op grote schaal in elektrisch rijden investeerden, de Europese autobouwers stevig onder druk.

Datzelfde risico loopt de Nederlandse bouwmaterialensector. De industrialisatie en verduurzaming van de bouw gaan door, met of zonder de gevestigde industrie. De eerste fabrieken in Polen en Litouwen die complete, duurzame bouwelementen en woningen voor onze markt produceren, draaien al. Wie zijn energie vooral steekt in het beïnvloeden van de spelregels, loopt het risico straks zijn eigen markt kwijt te raken.

Het meest actuele voorbeeld is de lobby rond de WLC-GWP, de nieuwe Europese systematiek waarmee we de klimaatimpact van gebouwen over hun hele levenscyclus gaan berekenen en vanaf 2030 normeren. De gevestigde bouwmaterialenindustrie probeert vooral invloed uit te oefenen op de manier waarop haar producten worden beoordeeld.

Keramiek

De keramische industrie maakt het daarbij wel erg bont. Volgens brancheorganisatie KNB leidt haar voorkeursvariant van de nieuwe bepalingsmethode tot goedkopere woningen én meer CO₂-reductie. Een knappe conclusie zonder enige onderbouwing. Wat KNB er niet bij vertelt, is dat haar voorkeursvariant gunstiger uitpakt voor CO₂-intensieve materialen, doordat mogelijke milieuwinst van hergebruik en recycling over vijftig jaar bij de bouw al stevig in mindering kan worden gebracht op de CO₂-footprint van het gebouw.

Ook de overkoepelende bouwmaterialenorganisatie NVTB benadrukt in een recente publicatie het belang van een integrale beoordeling van de levenscyclus. Eerder bestempelde dezelfde organisatie een aanvullende waardering van biogene koolstofopslag binnen de bestaande systematiek als ‘fictieve winst’ en bekritiseerde ze de nadruk op CO₂-reductie op korte termijn.

Factor tijd

Bij de discussie over de bepalingsmethode draait het vooral om de factor tijd. De CO₂ die vandaag vrijkomt bij de productie van baksteen, beton en staal draagt direct bij aan klimaatverandering, terwijl de veronderstelde winst van recycling over vijftig jaar nog maar moet blijken. Omgekeerd halen bomen en gewassen CO₂ uit de atmosfeer, die bij toepassing in gebouwen tientallen jaren opgeslagen kan blijven. Juist in de periode waarin we klimaatverandering drastisch moeten beperken.

Inmiddels heeft de discussie ook de Tweede Kamer bereikt. Begin juli diende JA21 een motie in om materialen met een technische levensduur van meer dan vijftig jaar zwaarder te belonen in de WLC-GWP. Die motie werd nipt verworpen. De Europese beschouwingsperiode van vijftig jaar wordt daarbij voorgesteld als een benadeling van langlevende materialen, terwijl Europa expliciet aangeeft dat deze rekenperiode niets zegt over de werkelijke levensduur van een gebouw. Ook het vertrouwde verhaal over nationale koppen wordt weer van stal gehaald. De discussie gaat hier echter over de manier waarop we klimaatimpact berekenen, niet over het stellen van hogere eisen.

Woningbouwkosten

En natuurlijk mogen de stijgende woningbouwkosten niet ontbreken als argument. Vorig jaar sneuvelde de voorgenomen aanscherping van de MPG voor woningen vanwege mogelijke kostenverhogingen. Nu wordt opnieuw gesuggereerd dat een effectievere rekensom woningen duurder maakt, terwijl het ministerie de eerste WLC-GWP-grenswaarden juist zo wil vaststellen dat de bouwkosten niet significant stijgen. Een andere bepalingsmethode maakt een woning niet automatisch duurder. Ze verandert vooral welke materialen gunstiger uit de berekening komen wanneer er een norm wordt gesteld.

Via brancheorganisaties, normalisatiecommissies en politieke lobby heeft de gevestigde industrie grote invloed op de regels waarmee haar eigen prestaties worden beoordeeld. En daarmee op de concurrentieverhoudingen tussen bestaande producten en nieuwe oplossingen. Juist daarom is het zo belangrijk dat een bepalingsmethode de werkelijke klimaatimpact zo goed mogelijk weergeeft. Anders belonen we bedrijven die hun bestaande productieprocessen in stand houden en benadelen we degenen die investeren in vernieuwing.

Het blijven beschermen van CO₂-intensieve productieprocessen is moreel niet te verantwoorden. Het zou de Nederlandse bouwmaterialenindustrie daarom sieren als ze minstens zoveel energie stak in het vernieuwen van haar producten en productieprocessen als in het beïnvloeden van de rekenregels. De internationale concurrentie gaat niet wachten tot wij tevreden zijn met de uitkomst van onze rekensommen.

Over de rubriek Zichtlijnen 

In Zichtlijnen wil de auteur Jan Willem van de Groep het gesprek over vernieuwing in de bouw een stap verder brengen. Niet door harder te roepen, maar door scherper te kijken. Hij schrijft over wat er onder de oppervlakte speelt: de aannames, de systemen en de keuzes die bepalen wat we bouwen en waarom. Met als ambitie richting te geven aan een sector die altijd in transitie is, maar ongewild nog te vaak in oude patronen denkt. Welke systemen houden een bouw nog tegen die sneller wil, betaalbaarder kan en toekomstbestendiger moet zijn?

Lees hier eerdere afleveringen van Zichtlijnen.

‘Het elektriciteitsnet efficiënter maken kán niet zonder gelijkstroom’

‘Het elektriciteitsnet efficiënter maken kán niet zonder gelijkstroom’

Lees meer Pijl naar rechts icoon

Whitepapers

Innovatie in uitvoering: industrieel bouwen

Wees voorbereid op de bouwplaats van de toekomst.

Resultaatgericht Samenwerken (RGS).

RGS is een gestructureerde methode die vastgoedprofessionals direct ondersteunt bij kwaliteitsverbetering, kostenefficiëntie en verduurzaming.

Vijf tactieken voor meer productiviteit van field service teams

Digitale tools liggen aan de basis van een geslaagde digitale transformatie. Hoe werkt dat in de praktijk?