De Nederlandse bouwregelgeving richt zich vooral op het beoordelen van gebouwen, ziet Jan Willem van de Groep in deze Zichtlijnen. We berekenen energieprestaties, milieueffecten, daglichttoetreding, ventilatie, oververhitting en geluid. Alles krijgt een norm, een indicator of een grenswaarde. Maar is het wel verstandig om gebouwen te beoordelen alsof ze in een vacuüm functioneren?
In de rekensommen waarmee we onze gebouwen beoordelen, doen we alsof een woning losstaat van de straat. Alsof een appartement op een versteend plein identiek presteert aan een woning aan een groen park. Alsof een gevel alleen door de zon wordt beïnvloed en niet door de boom die ervoor staat. Terwijl we ook weten dat de omgeving minstens zo bepalend is als het gebouw zelf.
Neem hittestress. De aandacht voor oververhitting is terecht toegenomen; woningen isoleren beter, zomers worden heter en tropische nachten zijn geen uitzondering meer. Het voorkomen van oververhitting is inmiddels een serieuze opgave.
De reflex is echter voorspelbaar: we zoeken de oplossing opnieuw ín het gebouw. Betere beglazing, actieve zonwering, zwaardere installaties of zelfs een airco. Maar daarmee bestrijden we vooral de symptomen. De temperatuur in een woning wordt namelijk niet alleen door de gevel bepaald, maar ook door de temperatuur van de straat, de hoeveelheid schaduw, de aanwezigheid van groen en water, de nachtelijke afkoeling en de winddoorstroming in de wijk. Een woning in een groene laan ervaart letterlijk een ander klimaat dan een identieke woning in een versteende wijk. Toch rekenen onze Bbl-normen daar nauwelijks mee.
Dat leidt tot merkwaardige situaties. Een ontwikkelaar die dure buitenzonwering toepast, ziet dat direct terug in de gebouwprestatie. Maar een ontwikkelaar die bestaande bomen behoudt of strategisch nieuwe plant, krijgt daarvoor in dezelfde systematiek nauwelijks erkenning. Terwijl een goed geplaatste boom in de zomer een groot deel van de zonnestraling op de gevel wegneemt. Bovendien verlaagt diezelfde boom de omgevingstemperatuur, houdt hij regenwater vast, verbetert hij de luchtkwaliteit, vergroot hij de biodiversiteit en verrijkt hij de openbare ruimte. Met één ingreep worden meerdere maatschappelijke doelen tegelijk behaald. Waarom waarderen we die systeemprestatie niet?
Hetzelfde geldt voor waterberging, netcongestie, gezondheid en klimaatadaptatie. Deze opgaven laten zich niet oplossen op perceelniveau; ze ontstaan in de wisselwerking tussen gebouwen en hun omgeving. Het is tijd voor een volgende stap in onze regelgeving. Niet alleen normen voor gebouwen, maar ook voor gebieden. Waarom meten we niet hoeveel schaduw een straat biedt op een hete zomerdag? Waarom beoordelen we geen koele looproutes, de nachtelijke afkoelcapaciteit van een wijk of de hoeveelheid bladerdek per woning? Waarom krijgt een slimme combinatie van gebouw en gebied geen hogere waardering dan een stapeling van technische maatregelen binnen de perceelgrens?
De afgelopen decennia hebben we geleerd om gebouwen steeds beter te maken. De volgende stap is wellicht belangrijker: niet het perfecte gebouw ontwerpen, maar een gebied creëren waarin gebouwen vanzelf beter presteren. Want uiteindelijk woont niemand in een EPC, een MPG of een TOjuli-berekening. Mensen wonen in een straat.
Over Zichtlijnen
Zichtlijnen is mijn manier om het gesprek over vernieuwing in de bouw een stap verder te brengen. Niet door harder te roepen, maar door scherper te kijken. Ik schrijf over wat er onder de oppervlakte speelt: de aannames, de systemen en de keuzes die bepalen wat we bouwen en waarom. Met als ambitie richting te geven aan een sector die altijd in transitie is, maar ongewild nog te vaak in oude patronen denkt. Welke systemen houden een bouw nog tegen die sneller wil, betaalbaarder kan en toekomstbestendiger moet zijn?
Jan Willem van de Groep