‘Zet niet allemaal losse oplossinkjes naast elkaar’

19 January 2023

Dutch Green Building Council wil een leidende rol spelen in het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Daartoe verzamelt de council zoveel mogelijk kennis en stelt tools beschikbaar om duurzaamheid van gebouwen en gebieden meetbaar te maken. Met directeur Annemarie van Doorn spreken we over leiderschap en synergie in de bouwsector. 

DGBC is opgericht in 2008, maar de geschiedenis gaat een aantal jaar verder terug. In 2006 kwam Annemarie van Doorn mensen tegen die internationaal bezig waren met BREEAM, een certificeringssysteem dat duurzaamheid meetbaar maakt. Ze werkte op dat moment bij de ABN Amro, waar ook een focus op duurzaamheid bestond. Maar als een bank duurzaamheid als norm wil gaan gebruiken bij de beslissing of bepaald vastgoed wel of niet gefinancierd moet worden, dan is er een objectief instrument nodig om die duurzaamheid te bepalen. In de ogen van Van Doorn zou BREEAM dat gat kunnen opvullen en daarom haalde ze het samen met een aantal andere mensen naar Nederland. Dat was het allereerste begin. 

Wat was de aantrekkingskracht van BREEAM op dat moment, en waren jullie wel de aangewezen partij om ermee te beginnen? Is zoiets niet aan de overheid?

Als we op de overheid moesten wachten, dan werd het niks met verduurzamen, dachten we. Gelukkig zie ik daar nu echt wel veranderingen, maar destijds was de overheid heel erg afwachtend en inconsequent. 

We zijn begonnen met het idee dat we de gebouwde omgeving wilden verduurzamen en we keken in eerste instantie naar nieuwbouw. Daar is BREEAM een heel goed instrument voor en dat is het nog steeds. Je kunt er gebouwen in de hele breedte van duurzaamheid mee certificeren, van afval, energie, water tot gezondheid en biodiversiteit, alles zit erin.

Ik las een uitspraak van je dat mensen leiderschap moeten tonen als het om duurzaamheid gaat. Dat jullie toen met BREEAM zijn begonnen, is dat ongeveer wat je bedoelt met leiderschap? 

Samen met die andere mensen heb ik toen inderdaad leiderschap genomen. En ik denk dat het heel erg belangrijk is dat er steeds mensen zijn die individueel zeggen: ik wil het anders, er moet iets gebeuren en ik zet daar ook op door. Ook al weet je dat de hele wereld om je heen zegt dat het nergens op slaat. En dat je je niet laat afleiden door een overheid, die iets wel of niet doet. Je hebt mensen nodig die dwars door alles heen wel iets doen. 

Maar dat leiderschap moet ook ergens toe leiden.

We zitten nu natuurlijk in een heel moeilijke tijd. We zitten met schaarste, met grote issues en we weten niet wie we nog kunnen vertrouwen. Dat leidt ons enorm af. Ik geloof er daarom heel erg in dat we nu door moeten gaan met de mensen en de bedrijven die vanuit het positieve kijken. Die zeggen: we hebben een enorme woningopgave die gerealiseerd moet worden, laten we die opgave combineren met al die duurzaamheidsopgaven waar we ook voor staan. 

Natuurlijk is dat complex, maar het kan wel. Als we maar zorgen dat we met de juiste mensen aan tafel zitten, met alle kennis die er is. Als we er maar aandacht aan besteden en er de tijd voor nemen om die kennis tot ons te nemen. 

Daarmee wil je zeggen dat we niet de kaasschaaf mogen hanteren als het gaat om het milieu? Een klein beetje minder stikstof en een klein beetje CO2 eraf, dan is het ook wel goed. En we moeten het niet snel even willen oplossen. 

Precies, want ook dat laatste is in deze tijd best een ding. Iedereen wil hup hup snel. Maar nu worden we collectief teruggefloten op bijvoorbeeld stikstof, en ik denk dat dat al heel goed is. We worden gedwongen om terug te gaan naar de tekentafel. 

We moeten het nu ook gewoon echt goed doen. Want als je nu een beetje duurzaam doet, dan heb je over vijf jaar een vet probleem. Kijk naar die verplichting op energielabel C voor kantoren. Ik heb daar nog een gesprek over gehad met Ed Nijpels, hij was voorzitter van de commissie die de naleving van het Energieakkoord controleerde. Hij vertelde dat ze er intern heel veel discussie over hebben gehad of ze niet meteen naar label A moesten. Ik zei dat het doodzonde is dat ze dat niet hebben gedaan, want dan had men nu veel beter geweten waar men aan toe is. Label C is nu de verplichting, dus gaan mensen het even een beetje beter doen. Die tussenstap leidt alleen af van wat er uiteindelijk moet gebeuren, dat we allemaal naar label A gaan.

Heeft het Paris Proof programma van DGBC daar ook mee te maken? 

Paris Proof gaat over werkelijk energiegebruik. Want eigenlijk zeggen die labels heel weinig, het gaat erom dat je het gebruik opmeet. Paris Proof is ontstaan als aanvulling op BREEAM. Met dat laatste instrument kun je heel veel nieuwbouw verduurzamen. Maar ja, de bestaande voorraad is daarmee natuurlijk nog lang niet verduurzaamd. Dat kost ook heel veel geld en dat wil lang niet iedereen. 

Wij zijn gaan kijken wat we moeten doen om het voor elkaar te krijgen. En daar kwam het Deltaplan Duurzame Renovatie uit, zoals we dat destijds noemden. Daar hangt nu de doelstelling ‘Paris Proof’ aan. Paris Proof komt er op neer dat je het energieverbruik in kantoorgebouwen gemiddeld genomen twee derde moet verminderen. Dus je houdt één derde over en voor kantoren betekent dat ongeveer 70 kiloWatt per vierkante meter. We hebben daar allerlei tools voor ontwikkeld en uitgezocht hoe je dat kunt bereiken. En nu zie je dat partijen er vol mee aan de slag gaan. Dat gaat opeens heel snel. Techniek Nederland is bijvoorbeeld enthousiast. Het ziet ernaar uit dat ze hun hele achterban met Paris Proof gaan ondersteunen. Dus we gaan allemaal de kant op van het werkelijke energiegebruik.

Dat werkelijke energiegebruik hangt natuurlijk ook af van hoe de mensen een gebouw gebruiken, hoe ze het inrichten en wat ze er doen.

Exact. Ik had bijvoorbeeld een heel oud huis uit 1620. Dat heb ik nu verkocht. Mensen zeiden tegen me dat ze dat wel snapten, omdat ik vast een heel hoge energierekening had. Maar ik had juist een extreem lage energierekening. Want ik had veel maatregelen genomen. Ik had heel dikke gordijnen, ik had vloerverwarming, ik had het dak geïsoleerd. Daardoor zat ik op iets van 180 euro per maand, terwijl de oppervlakte tweehonderdvijftig vierkante meter was. Dan heb je dus een heel laag gebruik, doordat je het op een goede manier gebruikt en ook de toepassingen vindt die helpen op dat moment.

Op grotere schaal moet dat vanuit de sector komen. Wat zou er in de bouwsector en in de installatiesector moeten veranderen om dit echt van de grond te krijgen?

Het heeft veel te maken met gedrag. Uiteindelijk denk ik dat er heel veel kan. Vanuit de installatiesector komen bijvoorbeeld talloze oplossingen voor het klimaatprobleem. Het gaat er alleen om die goed toe te passen. Mensen moeten ook snappen dat het niet allemaal losse oplossinkjes zijn die je naast elkaar zet, maar dat het een integraal verhaal is. Ik zit nu zelf in een verbouwing en ik merk dat bijna niemand er echt verstand van heeft. Ik heb nu met een installateur te maken die bij mij de warmtepomp plaatst. Maar hij heeft niet gekeken naar de rest van mijn huis. Hij had natuurlijk eerst moeten vragen hoe het is met het dak, en met de gevel. En of ik overal dubbel glas heb.

Wat er moet veranderen is dat zo’n installateur moet weten dat het niet alleen om zijn product gaat, maar om het geheel. Daarmee help je mensen echt een stap vooruit. Dan is zo’n warmtepomp misschien lang niet altijd de beste oplossing. Iedereen in de sector zou moeten kijken wat er nodig is, in plaats van wat consumenten vragen. Ook dat vind ik leiderschap

Dat heeft tijd nodig. Helemaal in de bouw, want vind allereerst maar eens mensen die gewoon het werk kunnen doen. Verder werkt iedereen langs elkaar heen, terwijl er veel meer moet worden samengewerkt als een team. Dat je allemaal je ding doet met één doel: dit moet een mooi en duurzaam huis of appartementengebouw worden. 

En hoe zie je dat ontstaan?

Het helpt als je een gezamenlijke ambitie hebt. Dat zien wij bijvoorbeeld met BREEAM, het certificeringsinstrument. Daarmee zet je concrete doelen neer. Je zegt dus: wij willen een gebouw met een BREEAM-score Outstanding, het meest duurzame gebouw dat je kunt bedenken. Omdat iedereen weet dat Outstanding het doel is, moeten alle partijen – dus de installateur, de adviseur, de bouwer, de ontwikkelaar, de architect – bezig zijn met die standaard.

Dat geeft een enorme synergie. Als je dat goed doet, dan begin je in de eerste fase met nadenken over hoe het er uit moet gaan zien. Dan heb je bijvoorbeeld ook de architecten aan tafel, en die gaan niet weg na de eerste keer, die blijven meedenken. Die kunnen later nog aanpassingen aanbrengen en voorstellen om bijvoorbeeld de raampartijen iets te kantelen. Want dan hebben we meer koelte of juist meer daglicht. Het gaat om dat gezamenlijke doel waar je je allemaal toe verhoudt. Als je me vraagt wat er nodig is, dan denk ik vooral daaraan.

Tekst: Sander van der Meijs

Foto: Tycho Müller