In Pims Digitale Doolhof begint Pim van Meer vandaag aan een nieuwe reeks: een serie columns over het oplossen van de woningnood. De klemtoon ligt op hoe digitalisering kan helpen om die oplossingen niet alleen te verzinnen, maar ook uit te voeren. Maar eerst moeten we weten waar we het over hebben!
In deze eerste aflevering van deze serie over het oplossen van woningnood wil ik niets oplossen of bouwen, niets industrialiseren, geen hectare aanwijzen. We gaan alleen het spotlicht zetten op dat ene woord dat bijna elke dag in het nieuws voorbijkomt: er is een “woningtekort”. En dan blijkt al snel dat het probleem venijniger – en eerlijk gezegd ook abstracter – is dan de headlines suggereren.
Want voordat we naar concrete oplossingen vliegen, moeten we iets doen waar we in de sector slecht in zijn: eerst het probleem fileerbaar scherp krijgen. We rennen al jaren vol overtuiging richting alles wat oplossing heet, zonder dat we precies hebben gedefinieerd wat we nu eigenlijk willen oplossen. Dat voelt daadkrachtig, het levert mooie persmomenten op, maar het is vaak vooral drukte rond een vaag vraagstuk.
Er is een woningtekort van 353.000 woningen. Het klinkt stoer, zo’n hard cijfer. Lekker overzichtelijk. Maar het woningtekort is geen natuurverschijnsel zoals windkracht 8. Het is een model. Een set aannames in een spreadsheet, waar we zelden eerlijk over zijn. En als je die aannames verandert, verandert het tekort – zonder dat er ook maar één steen bij komt. Ik ben blij met het gevoel van urgentie, want dan kunnen we beter handelen. Maar de vraag blijft hoe we meten.
Neem drie mensen die op papier prima gehuisvest zijn. De twintiger op zolder bij zijn ouders: niet uit keuze, maar omdat hij al drie jaar overal naast grijpt – en zolang hij niet als zelfstandig huishouden telt, bestaat hij soms in de statistiek; het stel met baby op vijftig vierkante meter: officieel prima gehuisvest, maar met een kinderwagen tegen de eettafel en een box voor de balkondeur heet het in de cijfers gewoon mismatch; de gescheiden vrouw op de logeerkamer van een vriendin: er is een bed maar geen dossier, tot het na een paar maanden klapt en ze pas dan als spoedzoeker in beeld komt.
Afhankelijk van hoeveel van dit soort mensen je mee durft te tellen, verschuift het woningtekort met honderdduizenden woningen. Niet door bouwen, maar door definities. Dat is de eerste bocht in het digitale doolhof: we doen alsof het tekort gaat over stenen, terwijl het net zo goed gaat over frictie in levens.
Wat vinden we eigenlijk normaal? Vijf jaar wachten op sociale huur? 45 vierkante meter voor 2 starters? Veertig procent van je inkomen aan wonen uitgeven? Twintigers die tot hun dertigste geen eigen deurbel hebben? Woningcorporaties die geld verliezen aan nieuwbouw?
Zolang we die norm niet hardop uitspreken, blijft het tekort een soort magisch getal waar niemand zich echt aan brandt. Dan sturen we op honderdduizend woningen per jaar in plaats van op maximaal drie jaar wachttijd of maximaal dertig procent woonquote. En dan zijn we dus oplossingsgericht bezig op een probleemdefinitie die nooit expliciet is gekozen.
Het gevolg zie je overal terug: we rennen harder in dezelfde cirkel. Meer locaties, meer tenders, meer artist impressions. Soms zelfs meer regels, omdat we ergens voelen dat het niet klopt, maar niet durven snijden in de oorspronkelijke aannames.
Ik fantaseer weleens over een ander dashboard. Niet één grote teller met zoveel huizen tekort, maar een woonradar met een paar echte relevante en genadeloze metertjes: gemiddelde wachttijd per doelgroep. Percentage inkomen dat starters aan wonen kwijt zijn. Oppervlakte per inwoner. Aantal verborgen huishoudens op zolders, banken en campings. Hoeveel verhuizingen één nieuwbouwproject losmaakt.
Dat is óók woningtekort. Alleen niet verpakt als één dramatisch getal voor het journaal, maar als een set spanningen in tijd, geld en kansen. Ik wil sturen op die kansen!
En dan wordt het interessant. Want wie mag beslissen welk dashboard we gebruiken?
Is dat het Rijk, dat een landelijk model draait? De regio, die roept dat bij hen vooral het middensegment knelt? Of de gemeente, die haar eigen Excel verdedigt omdat ze anders het woonakkoord niet haalt? De ontwikkelaar die rendement nodig heeft voor de aankoop van zijn volgende project?
We doen nu alsof het neutraal is. Alsof de wetenschap het woningtekort heeft uitgerekend en de politiek daar slechts braaf op reageert. In werkelijkheid is het andersom: eerst kiezen we wat we acceptabel vinden, dán bouwen we er een model omheen.
In mijn digitale doolhof is de eerste stap dus niet: harder bouwen.
De eerste stap is: het model op tafel leggen, wat gaan we meten? Waar gaan we op sturen?
Welke mensen zitten er nu verstopt achter nette tabellen? Welke spanningen hebben we stilzwijgend genormaliseerd, omdat ze niet in één getal pasten?
Pas als we dat doen, kun je eerlijk zeggen wat je kiest. Misschien besluiten we dan dat het echte tekort niet 390.000 woningen is, maar: te veel jaren, te veel procenten inkomen, te veel levens in de wachtstand.
Fileermoment
Voordat we in volgende afleveringen met industrialisatie, ketenregie, flexwoningen en welstand 2.0 gaan strooien, moeten we één ongemakkelijke conclusie durven trekken: als je het probleem niet scherp definieert, wordt iedere oplossing vroeg of laat zelf een nieuw probleem.
En ergens, als de grafieken uitfaden en de nieuwsbulletins weer over iets anders gaan, blijft één vraag over: zijn we de woningnood aan het oplossen, of zijn we vooral een getal aan het voeden dat nooit echt van onszelf is geweest?
Over Pims digitale doolhof
In deze rubriek neemt Pim je mee in de soms wonderlijke, warrige maar snel veranderende wereld van digitalisering. Hij put uit zijn ervaringen die hij meemaakt als directeur digitalisering van VORM. Pim is uitgesproken, kritisch, maar wil jou bovenal helpen. Loop jij vast in het digitale doolhof? Pim helpt je naar de uitweg…. Heb je een vraag aan Pim of zoek je contact met hem? Volg Pim dan via LinkedIN.